Op een expositie in het Knarrenhof te Gouda, zie ik bij de deelnemerslijst de naam Cor Besselink staan. Die naam ken ik, maar waarvan ook alweer? Zodra ik zijn twee beelden op de expositie zie, weet ik het. Hij blijkt zelf ook aanwezig, zit bij de ingang gitaar te spelen. Hij kent zowaar mijn naam en weet bovendien nog waarom ik ooit een van zijn beelden kocht. Dat was vanwege de Efteling.
Mijn Efteling

Ik groeide op in Kaatsheuvel. In de tuin van mijn ouderlijk huis kon je bij de juiste wind de Efteling-omroeper horen: “Willen de ouders van Wiesje zich melden bij de EHBO-post in de speeltuin?” Dan was er dus een Wiesje zonder ouders gevonden. Mijn eigen ouders hebben elkaar voor het eerst ontmoet in het café-restaurant bij wat toen de visvijver heette en waar nu de bootjes van de Gondoletta varen. Ik heb leren zwemmen waar nu de Python en de Schipschommel staan. De Efteling was in mijn jeugd, naast dat zwembad, vooral de speeltuin en het sprookjesbos. Ik ben er opgegroeid tussen echte, soms bewegende sprookjesbeelden. Het was er spannend, soms een beetje eng maar ook veilig en vertrouwd.
Toen ik op mijn tiende reuma kreeg en steeds moeilijker kon lopen, werd de Efteling voor mij anders. Elke keer als we het sprookjesbos in gingen – en dat was vaak, want we hadden natuurlijk een abonnement – voelde ik verdriet. Het eerste sprookje dat je tegenkwam was namelijk Doornroosje en haar kasteel werd voor mij een onneembare vesting. Niet de doornen, zoals in het sprookje, verhinderden mij om haar te kunnen zien, maar mijn eigen lijf.
De wachter
Aan de voet van het kasteel kom je altijd eerst een in slaap gevallen, zittende wachter tegen. Zodra ik die vroeger zag voelde ik me van binnen zinken in verdriet. Het beeld van de wachter viel samen met het besef dat ik hier iets niet (meer) kon wat andere kinderen wel konden: de heuvel beklimmen, via het linkerpad omhoog en daarboven Doornroosje vinden. Mijn knieën deden te zeer om de helling te kunnen nemen. De stenen waarmee de weg naar boven was geplaveid waren te oneffen en glad. Ik was heel bang om te vallen of uit te glijden, ik stond niet meer stevig op de grond. De slapende wachter vertelde me onuitgesproken dat ik het rechterpad moest nemen en het kasteel moest overslaan. Elke keer weer leed ik stil bij het kasteel van Doornroosje een nederlaag.
Zodra ik het kasteel was gepasseerd en ik terecht kwam bij Langnek, Roodkapje, de Fakir of de Magische klok, sleet dat zinkende gevoel wel weer. Er waren overigens nog meer plekken in de Efteling van toen die voor mij onbereikbaar waren. Het sprookje van Fabiola bijvoorbeeld, als het voorplein daar al vol met mensen stond. Of de stoomcarrousel waar vaak een lange wachtrij was. Ik kon echt niet een kwartier of langer staan.
Mijn wachter

Maar … terug naar het kasteel van Doornroosje. Toen ik tientallen jaren later in een etalage van een kunstwinkel in mijn huidige woonplaats een beeld van een wachter zag staan, was ik in mijn gedachten meteen terug naar die plek in de Efteling. Ik ben eerst vele keren bij die etalage langsgelopen. Het kostte flink wat, maar het beeld bleef me roepen. Dus ik heb het gekocht. Deze wachter staat rechtop, is een ruime meter hoog, heeft de ogen gesloten en een schild in de handen. Het keramieken hoofd zit op een lijf van hout met hier en daar metaalbeslag.
Die wachter staat nu al jaren in mijn slaapkamer, sterk en beschermend, waakzaam ondanks de gesloten ogen. Maar ze staat ook voor het oude bekende verdriet en mijn beperkingen. Achter haar staat dat bedroefde kleine meisje met reuma dat opeens vanalles niet meer kon. De wachter staat ook voor wat ik in al die jaren daarna allemaal wél heb gedaan en hoe ik weer stevig heb leren staan. Soms nam ik, me bewust van mijn verdriet, het makkelijk pad en deed ik even niet mee. En soms nam ik toch (over)moedig en met wisselend resultaat de oneffen gevaarlijke helling. Ja, soms gleed ik daar inderdaad flink uit. Maar van beide paden ben ik sterker geworden. Misschien, om even in Doornroosje-termen te blijven, laat de wachter me zien dat ik de pijnlijke doornen van het leven weliswaar volop voel maar me er toch dapper en met succes doorheen worstel. Dat ik dat allemaal aankan, ook de nederlagen.
Het is trouwens alweer jaren geleden dat ik in de Efteling was. Er zijn daar nog slechts enkele sporen te vinden van de Efteling uit mijn jeugd. Maar mijn eigen wachter, gemaakt door Cor, groet me elke ochtend als ik mijn ogen opendoe.
Januari 2026
